Erik Menkveld

Het grote zwijgen

Kan zwijgen groot of klein zijn? Het woord zwijgen is toch al kompleet in zich zelf, dacht ik toen ik voor het eerst de titel las. Wat betekent het dan dat Erik Menkveld hier het bijvoegnaamwoord - groot- gebruikt. Wil hij zeggen dat er veel gezwegen wordt in het boek, heel veel zelfs. Of is er meer, is 'Het grote zwijgen' een uitspraak, een citaat, een titel. Vooruit, aan het lezen dan maar.

De roman van Erik Menkveld gaat het over de levens van de componisten Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen en speelt tegen de achtergrond van de beginjaren van de 20ste eeuw.
Ik ben geen groot bewonderaar van de muziek van deze twee mannen maar hun levensverhalen daarentegen boeien me wel degelijk. En daarom was ik bij ‘Het grote zwijgen’ aan het goede adres.

Menkveld beschrijft in ‘Het grote zwijgen’ de tragische vriendschap van de twee componisten en hun verheven idealen. Hij verhaalt over Diepenbrocks liefdesgeschiedenis met zijn leerlinge Johanna Jongkindt en Vermeulens complexe relatie met Diepenbrocks vrouw.

In die tijd zweeg men natuurlijk over dit soort affaires, de ‘vuile was’ werd niet buiten gehangen. Het zwijgen uit de titel slaat niet alleen op dit binnenkamers houden van de familiegeheimen maar ook op het zwijgen tussen de vrienden, echtgenoten, minnaars zelf. Niet alles wordt gedeeld, ook niet met degene die men vriend of geliefde noemt. Hoe herkenbaar. Daarnaast is de titel een verwijzing naar de grootste angst van de componist niet (meer) gehoord te worden. Diepenbrock heeft het er erg moeilijk mee dat hij door het publiek vaak doodgezwegen wordt. Bovenal is de titel ‘Het grote zwijgen’ een vertaling van 'Im grossen Schweigen' , het symfonisch lied dat Diepenbrock in 1906 componeerde op een tekst van Friedrich Nietzsche.

Uitgegeven bij G.A. van Oorschot